Cyprichromis sp. "leptosoma jumbo"

Vaak verward met de "gewone" Cyprichromis leptosoma, wordt C. sp. "leptosoma jumbo" een stuk groter. De naam zegt het eigenlijk al. Ze kunnen tot 12 centimeter groot worden en hebben dus, omdat het vissen zijn in grote groepen en scholen leven, een groot aquarium nodig waar ze met voldoende soortgenoten kunnen leven. Ze houden zich met name in de open water op in het aquarium. In het wild ook, maar altijd in de nabijheid van rotspartijen. De mannetjes zijn meestal fel blauw met geel gekleurd; de kleuren verschillen meestal met de afkomst van de populatie. Hierboven de variant van Kitumba te zien, hieronder een mannetje en vrouwtje van Kambwimba. De staarten van de mannetjes zijn meestal geel gekleurd, maar binnen dezelfde populatie komen ook mannetjes voor met een blauwe staart. Vrouwtjes zijn nauwelijks voorzien van deze kleuren en hebben een grijsbruine kleur. Het zijn van nature planktoneters, maar in het aquarium eten ze eigenlijk bijna alles dat aangeboden wordt. Zolang het maar geen grote brokken voer of pellets zijn. Cyclops, watervlooien en ander fijn (levend) voer wordt graag gegeten. Hun gedrag is actief, vooral omdat de mannelijke exemplaren elkaar continu met pronkgedrag proberen te intimideren en omdat er daarnaast vaak aandacht is voor de vrouwelijke exemplaren.

Het zijn maternale muilbroeders, het vrouwtje draagt dus vanaf het moment van eitjes afzetten tot het loslaten van de jongen, de eitjes en jongen in haar bek. Enkele mannelijke exemplaren zullen een territorium in het aquarium innemen; anders dan we van cichliden is dit niet een rotspartij of stuk bodem, maar een deel van het open water tot een halve meter doorsnee. Met veel druk pronkvertoon wordt een bereidwillig vrouwtje dit territorium ingelokt. Wanneer er gepaard wordt, buigt het mannetje zijn lichaam en vinnen van het vrouwtje af, en toont hij haar de lichtere punten van beide buikvinnen. Mogelijk gaat hiervan een ei-vlek-functie uit, die we bij veel cichliden op de anaalvin en bij vedervinnigen eveneens op de buikvinnen zien. Ad Konings beschrijft in "Tanganyika Cichlids in their Natural Habitat" dat de vlekken niet overeenkomen met de kleur en dat er wilicht de plaats wordt aangegeven waar de eitjes moeten worden afgezet. Het vrouwtje hapt in dit stadium ook naar de buikvinnen, wat erop zou kunnen wijzen dat het mannetjes dan al hom laat ontsnappen. Het vrouwtje zet vervolgens één of meer eitjes af in het vrije water en neemt deze direct in de bek. Na enkele series afzetten start de cyclus opnieuw waarbij het mannetje zijn buikvinnen weer toont. Na het afzetten zondert het vrouwtje zich af; in de natuur zien we broedende vrouwtjes die elkaars gezelschap (maar vooral veiligheid) opzoeken in grote scholen. Na ongeveer 3 weken laten ze de 5 tot 15 jongen los, die zich in een schooltje ophouden onder het wateroppervlak. Ze eten direct fijn droogvoer en fijn (ontdooid) levend voer zoals Cyclops en Artemia-naupliën.

Hoewel het een groepsvis is, zijn de mannelijke dieren territoriaal en dulden ze elkaar niet echt goed. Daarom moet deze vis met 3, maar liefst meer, mannen gehouden worden. Daarbij kunnen het best 2 of meer vrouwen per man zijn, omdat de broedende vrouwen kans moeten zien zich aan de aandacht van de anderen te onttrekken. Een groep met 3 mannen en 5 vrouwen is een minimum. Deze "haringcichliden" zijn een stuk robuuster dan C. leptosoma, en zijn, mits ze de ruimte hebben in het open water, geschikt om met een groep Tropheus te combineren. Aangezien ze in de natuur op het dieet van Cyphotilapia-soorten staan, is die combinatie wat minder geslaagd. Vanwege hun van tijd tot tijd agressieve en ook drukke gedrag, is het raadzaam deze vissen niet met rustbehoevende soorten te combineren.