Mastacembelus micropectus

Tekst: Joren Blom

Mastacembelus micropectus heette tot 2005 Caecomastacembelus, tot bij onderzoek bleek dat de gehanteerde aparte benamingen voor de Afrikaanse stekelalen niet voldoende morfologische basis kenden. Mastacembelus micropectus kan overdag vooral in zelfgegraven holen onder de stenen gevonden worden. 's Nachts komen ze er onder uit en gaan op jacht naar kleine visjes en ander klein spul. Als bodem wordt zand gebruikt zodat de aal zelf holen onder de stenen kan graven. Zorg dat de stenen goed op de bodem liggen en nooit rechtstreeks op glasplaat geplaatst zijn. Als hol kunnen ook ingegraven pvc-buisjes gebruikt worden. De aal zal zich overdag vooral onder de stenen ophouden en de boel een beetje in de gaten houden. Wanneer de schemering begint wordt hij echt aktief en komt hij in beweging. Deze aal moet solitair gehouden worden of in groepen van meer dan 10 dieren in. Ze hebben een ruime bak nodig (1,50 m. of meer). Door de onderlinge agressie maken minder dan 10 exemplaren elkaar het leven zo zuur dat er maar 1 zal overblijven. Als planten kunnen Vallisneria spiralis, Anubias en hoornblad gebruikt worden. Deze planten worden met rust gelaten door de vissen. Als deze vis pas korte tijd in bezit is, zal deze mogelijk niets anders eten dan rode muggenlarven. Al snel kan M. micropectus leren ook mysis, witte muggenlarven en vlokvoer te eten. Uit de hand voeren is bijna en must; deze dieren komen anders niet aan genoeg voer in gezelschap van cichliden.

Over deze vis is nog weinig bekend dus het geslachtsonderscheid is nog niet aan te geven. Ze zijn nog nooit nagekweekt in gevangenschap. In het meer zouden ze mogelijk in broedkolonie`s kweken.

Lust graag kleine visjes. Medicijnen: ze zijn overgevoelig voor formaline en malachietgroen.