Neolamprologus pectoralis (Büscher, 1991)

aquarium
(cm / ltr)
lengte
(cm, m / v)
aantal
(m / v)
agressie
(0 tot +++)
voedsel
 
moeilijk
(0 tot +++)
120 / 240 15 / 12 1 / 1 ++ klein dierlijk +++



Tekst: Coen Burgers

Algemeen
De Neolamprologus pectoralis is een relatief felle vis. In de literatuur wordt beschreven dat het mannetje 11/12 cm groot wordt, het vrouwtje blijft iets kleiner. Er zijn in aquaria echter vrouwelijke exemplaren van bijna 15 cm waargenomen.


Neolamprologus pectoralis komt voor in 2 kleurmorphen, geel en bruin, waarbij de laatste vaker voorkomt. Deze kleurmorphen zijn echter niet zichtbaar als de vissen klein zijn.
Jonge dieren zijn allemaal geel en kleuren soms bruin om latere leeftijd.
In de literatuur wordt gesproken dat het mogelijk is om meerdere vrouwtjes met een mannetje samen te houden. De mannetjes lijken wel een voorkeur te hebben voor vrouwelijke exemplaren van dezelfde kleur.

Kweek
Het paren gaat gepaard met veel dreigend gedrag. Opvallend is dat het mannetje de grot waarin wordt afgelegd "klaar maakt". Het vrouwtje verblijft tussen het afzetten van de eitjes in een andere grot en trekt later "in". De noodzaak voor meerdere diepe grotten maakt het samenleven met andere grot gebonden soorten lastig. Daarbij zijn ze in staat op zelfs robuuste soorten zoals de Altolamprologus calvus de dood in te jagen. Het verjagen van andere vissen gaat meestal niet gepaard met felle uitvallen.


De legsels zijn relatief klein voor een Lamprologini, 20-30 exemplaren. De jongen kunnen worden grootgebracht met fijngewreven vlok voer. Snel na het uitkomen van de eieren verlaten de jongen de grot en zoeken hun heil op het zand en in de grotten. De schutkleur van de jongen is dusdanig dat ze op het zand nagenoeg niet opvallen. De jongen zoeken zelf hun voer, dus gericht voeren is niet noodzakelijk

Bijzonderheden
Let op: Deze vis is niet geschikt om samen met vedervinnigen te houden, naast een andere voedselbehoefte hebben ze ook de neiging om te happen naar de ventraalvinnen van vedervinnigen.