Xenotilapia bathyphilus, Poll 1956

aquarium
(cm / ltr)
vislengte
(cm, m / v)
aantal
(m / v)
agressie
(0 tot +++)
voedsel
 
moeilijk
(0 tot +++)
120 / 150 11 / 10 1 / 3 + klein dierlijk +



Xenotilapia bathyphilus heeft een achternaam die een stukje van zijn habitat verraad: bathy (diep) en philus (houdt van) wil zeggen dat hij graag in dieper water vertoeft. Het is een vrij vreedzame vis die slechts binnen de soort bij tijd en wijle enige agressie kent. Dit beperkt zich in het algemeen tot het verjagen van een soortgenoot. Ze kunnen in de kleinste bakmaat als harem worden gehouden. Zijn er meerdere mannen aanwezig, dan moet het aquarium direct fors groter zijn, alsook de groep als geheel. Een aantal van 10 stuks met 3 mannen in een 2-meter-aquarium geeft elke man de ruimte zijn eigen "plekje" te vinden. De vissen zijn, zoals de meeste Xenotilapia's, sterk bodemgebonden en houden zich de meeste tijd bezig met het in de bek nemen van een hap zand om deze door de kieuwen te zeven.

Zoals bij de meeste Xenotilapia-soorten is ook deze vis weinig spectaculair van kleur. Op een beige/witte ondergrond zijn bij goed opvallend licht fraaie schitteringen te zien en de vinnen en op de rug. Bij enkele vindplaatsvarianten is de bovenlip donker gekleurd. Vrouwelijke exemplaren zijn minder gekleurd dan mannen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld X. sima en X. singularis, loopt de kop niet zo stomp af. Het voedsel bestaat in het wild uit insectenlarven, weekdieren en kleine schaaldieren. Inj het aquarium voldoet fijn granulaat (zinkend) of vlokvoer. Cyclops en witte of zwarte muggenlarven worden ook goed gegeten.

X. bathyphilus is een maternale muilbroeder. Het mannetje graaft een cirkelvormig walletje, waarvan hij het centrum ontdoet van onregelmatigheden. Na verleiden van het vrouwtje worden tot 20 eitjes afgezet, die zij de volgende 3 weken in de bek houdt. In de tussentijd zal ze meer teruggetrokken zijn, en eet ze nauwelijks. Zand ophappen en zeven is er niet meer bij. Zodra de jongen zijn gelost, zijn ze voer voor de overige Xenotilapia's. Ze eten al direct fijn levend voer zoals Artemia-naupliën. Stofvoer wordt van de bodem opgenomen.

Zoals bij alle Xenotilapia's is ook voor deze vis een aquarium nodig met een ruim bodemoppervlak, bedekt met fijn zand. Let op dat de bodem niet uit "split" bestaat: dit zijn scherpe steensplinters waaraan deze zandzevers hun bek kunnen beschadigen. Het is goed als de bodem is opgedeeld in een aantal zone's door middel van visuele barrières. Let op bij het verrichten van handeling in het aquarium: deze vissen zijn behoorlijk schrikachtig; ze kunnen als een speer de bak uitspringen. Plaats dekruiten die alle hoeken en gaten afdekken.

a