Xenotilapia ornatipinnis, Boulenger 1901

aquarium
(cm / ltr)
vislengte
(cm, m / v)
aantal
(m / v)
agressie
(0 tot +++)
voedsel
 
moeilijk
(0 tot +++)
120 / 200 10 / 10 3 / 2 + klein dierlijk +



Tekst: Edwin Kuyntjes

Algemeen
Xenotilapia ornatipinnis is een zandhapper bij uitstek: hij neemt een hap fijn zand en zeeft daar zijn voedsel uit. De mannetjes zijn onderling behoorlijk agressief op hun eigen territorium, tegen andere vissen is nauwelijks agressie. Combineren met andere Xenotilapia-soorten is daarom vaak verstandiger als meerdere mannen van deze soort bij elkaar in het aquarium zitten. De vrouwtjes zijn rustig ten opzichte van elkaar. Onder normale omstandigheden geldt: 1 koppel of kleine harem in 120 cm. 2 mannen in 160 cm. In een kale kweekbak, zonder punten waarop ze territorium kunnen afbakenen, kunnen meer exemplaren gehouden worden. Ze vormen geen koppels, alleen met paren zijn ze samen, de dominante man zal de eitjes bevruchten.

Kweek
De vis aanzetten tot eiafzetting is niet moeilijk. Als dit eenmaal op gang is, is ongeveer elke 2 maanden is een nest te verwachten van maximaal 30-35 eieren. De afzetting begint zodra ze de vissen een centimeter of 6 groot zijn. Het mannetje en vrouwtje draaien samen kleine rondjes over het platte zand waarna het vrouwtje de eieren in de bek neemt en uitbroed. Ze maken geen kuiltjes of nestjes zoals we dat bij andere Xenotilpia-soorten zien. Omdat de vissen tijdens het afzetten weinig oog hebben voor andere vissen in het aquarium, kunnen de eitjes weggeroofd worden door bijvoorbeeld een Altolamprologus.

Een probleem bij de broedzorg vormt het opdringerige gedrag van de mannelijke dieren: ze jagen de vrouwtjes vaak na, waarbij ze contact niet schuwen. Het vrouwtje ondervindt er onder normale omstandigheden geen hinder van. Tijdens de broedzorg ligt dat anders: het drukke gedrag van de mannetjes kan resulteren is het vroegtijdig loslaten van de eitjes of jongen. Het vrouwtje zoekt in die tijd geen rustig plekje op; ze begeeft zich tussen de andere vissen zols ze buiten de broedzorg ook doen. Een harem zou om die reden goed kunnen werken. Ook de aanwezigheid van andere soorten vissen die de aandacht van het mannetje afleiden kan daarbij helpen. Omdat het vrouwtje de hele broedperiode alleen (maternale muilbroeder) op zich neemt kan het de voorkeur hebben het mannetje na de eiafzetting uit te vangen, zodat de vrouw in alle rust de broedzorg kan voltooien. Dit is tot dusver de beste manier gebleken om jongen over te houden.

Na ca. vijf dagen komen de eitjes uit en na 9 dagen, als de dooierzak op is, begint het vrouwtje met het opnemen van voedsel. De jongen die op dat moment nog in de bek zitten profiteren hiervan mee. Daarna laat ze de jongen los en gedurende enkele dagen daarna worden de jongen nog regelmatig in de bek genomen. Ze bewaakt zo de jongen, en schuwt daarbij een uitval naar andere vissen niet. Tijdens deze latere broedzorg, rond 17-18 dagen na afzetten, wordt het nest niet actief bijeen gehouden: wat weg zwemt - is dan ook echt weg. De jongen groeien snel en eten alles, in het begin zijn fijngewreven vlokken of geplet granulaat het makkelijkst om als klein droogvoer aan te bieden. De jongen hebben bij hun geboorte allemaal 3 stippen in hun rugvin.

Bijzonderheden
Hun ogen zijn groot, wat erop duidt dat deze vis vrij diep leeft. Ze steken relatief ver uit en beschadigen snel. Geslachtsonderscheid: Het vrouwtje heeft 3 stippen in de rugvin, verder heeft ze weinig kleur. Het mannetje heeft een gele streep over de gehele lengte van zijn rugvin en wat blauw in de staart. Pas als ze ongeveer 5-6 cm groot zijn wordt het verschil in geslacht uiterlijk zichtbaar. Ze kunnen in principe met elke vis gecombineerd worden, maar houdt rekening met de onderlinge agressie van de mannelijke exemplaren.