Xenotilapia nigrolabiata "Red Princess", Poll, 1951

aquarium
(cm / ltr)
vislengte
(cm, m / v)
aantal
(m / v)
agressie
(0 tot +++)
voedsel
 
moeilijk
(0 tot +++)
150 / 300 13 / 10 3 / 5 + dierlijk-alleseter +++



Tekst: Edwin Kuyntjes

Algemeen
De slechts sporadisch in Nederland verkrijgbare Xenotilapia nigrolabiata " Red Princess ", ontdekt door Evert van Ammerooy in 2001, is een echte bodembewoner en groepsvis (minstens 6). Xenotilapia nigrolabiata " Red Princess " spendeert zijn tijd het liefst boven het zand doorbrengt en slechts zelden de hoogte in zal gaan. Deze zeer rustige vis neemt een hap fijn zand en zeeft daar zijn voedsel uit. Verwacht geen spectaculair gedrag tot het moment dat een vrouwtje wil gaan afzetten en de mannetjes agressief worden richting elkaar. Daarbij spreiden zij hun vinnen wijd en tonen zij in strijd al hun kleuren om te kunnen paren, dit verder zonder ernstige gevolgen. Er is soms sprake van een kort opjagen van de dames, tegenover andere vissen zijn de dieren bescheiden, zelden worden andere vissen opgejaagd.

Een probleem ligt vaker in het gedrag van de medebewoners richting deze vissen, velen zullen snel te agressief zijn voor deze kwetsbare stressgevoelige vis. Dit komt ook voort uit het feit dat de vissen diepwater dieren zijn, enige alertheid is een onderdeel van het natuurlijke gedrag. Indien men biotoopcorrect wil zijn betekent dit ook dat het aantal mogelijke bijvissen beperkt is doordat deze dieren uit de diepere waterdelen komen.
Wanneer men overweegt deze vis aan te schaffen moet men er van uit gaan dat dit de hoofdbewoner is van het aquarium. Dit betekent dat het aquarium matig verlicht dient te worden met, bij voorkeur, een blauwachtige tint. Dat is de enige nog zichtbare kleur op grote dieptes, daar zullen de vissen zich ook het prettigst bij voelen en hun kleuren zullen daar het beste op uitkomen. Onmisbaar is het plaatsen van stenen langs de wanden en ook door het midden om ze overal een gevoel van veiligheid te kunnen geven om zo hun schichtige onvoorspelbare natuur te temmen. Dit omdat ze zich anders kunnen beschadigen of zelfs dood kunnen zwemmen uit een plotselinge schrikreactie.

Het voorkomen van stress bij deze vis is voornamelijk te bewerkstelligen door de juiste keuze van medebewoners in combinatie met een optimale inrichting. De meest biotoopcorrecte en veilige keuze daarin waarschijnlijk Paracyprichromis nigripinnis. Daarbij plaatst men de holen zo dat deze niet teveel in de buurt van de zandvlaktes van de rustige Xenotilapia nigrolabiata komen, De vrouwtjes en jongen van de Paracyprichromis vooral in de bovenste lagen van de bak zwemmen. Een andere mogelijkheid is een harem X. bathyphillus, deze diepwatervis die ook op de bodem leeft is veel minder schuw, alleen kunnen de mannetjes soms agressief zijn. Ditzelfde geldt voor X. ornatipinnis.

Meervallen zouden, gezien hun reputatie als nachtdieren, voor problemen kunnen zorgen, daar deze in de nachtelijke uren erg actief kunnen zijn. Combineren kan toch ook met veel andere vissen, hierbij dient men het geheel goed in de gaten te houden. Stress en flagellaten-infectie liggen op de loer.

Kweek
De vis aanzetten tot eiafzetting gaat niet zo makkelijk omdat de Xenotilapia nigrolabiata door hun gevoeligheid snel uit hun ritme zijn. De afzetting begint zodra de vissen een centimeter of 7 groot zijn. Het mannetje en vrouwtje draaien samen kleine rondjes over het vlakke zand waarna het vrouwtje de eieren in de bek (maximaal 30-35) neemt en alleen uitbroedt (maternaal).

Tijdens de broedperiode zondert het vrouwtje zich regelmatig af. Na ongeveer vijf dagen komen de eitjes uit. Na 9 dagen, als de dooierzak op is, begint het vrouwtje met het opnemen van voedsel. Daarna laat ze de jongen los en gedurende enkele dagen daarna worden de jongen nog regelmatig in de bek genomen. Tijdens deze latere broedzorg, rond 17-18 dagen na afzetten, wordt het nest niet actief bijeen gehouden: wat weg zwemt - is dan ook echt weg. In tegenstelling tot de sterk gelijkende X. ornatipinnis groeien de jongen groeien vrij traag. In het begin zijn fijngewreven vlokken of geplet granulaat het makkelijkst om als klein droogvoer aan te bieden. Het is duidelijk dat de jongen ook enorm kwetsbaar zijn, het sterftepercentage gedurende de eerste maanden is aanzienlijk hoger dan met andere Xenotilapia's.

Bijzonderheden
De ogen van de X. nigrolabiata zijn groot, wat erop duidt dat deze vis diep leeft (tot 40-65 meter). Ze steken relatief ver uit en beschadigen snel door hun mogelijk schichtige gedrag, medicijnen in huis hebben en toevoegen na zichtbare beschadiging is een vereiste en de aanwezigheid van flagellaat medicijnen is ook een pré om direct in te kunnen grijpen.

Kortom, dit is een vis voor avonturiers en is een uitdaging voor de elke specialist en liefhebber die je op het puntje van je stoel zal doen zitten.
Toch is deze vis is te houden onder de juiste omstandigheden. Oplettendheid en goede zorg zijn een vereiste.