Biotopen
In het Tanganyikameer zijn 6 soorten leefgebieden (biotopen) waar te nemen. Elk biotoop heeft zijn eigen kenmerken en bewoners, hoewel hiertussen ook enige overlap is. Van de verschillen in leefomgeving kunnen we ook afleiden waarom er zo'n grote variëteit is ontstaan tussen de verschillende soorten.
  1. De Brandingszone
    In dit gebied is er continu golfslag, zodat de vissen die daar voorkomen zo sterk aangepast zijn aan de omstandigheden, dat ze bijna alleen daar voorkomen. Een voorbeeld van een dergelijke cichlide is Eretmodus cyanostictus.

  2. De Rotskust
    Dit gebied kan weer worden onderverdeeld in 3 zones:
    • rotsen zonder sediment (0-3 m. diep): hier liggen rotsen op elkaar en de kust loopt steil af. De rotsen zijn begroeid met een laag algen waartussen allerlei kleine dieren wonen (micro-organismen, kreeftachtigen)
    • rotsen met sediment (3-15 m. diep): deze rosten zijn vaak een stukje dieper te vinden: op deze rosten ligt ook sediment (bezinksel) afkomstig uit de hogere waterlagen. Door dit bezinksel groeien de algen minder goed op de rotsen.
    • ondiepe rotskust (0-6 m. diep): in dit gebied liggen kleinere rotsen in groepen of verspreid op een zanderige bodem. In dit gebied komt het meeste voedsel voor en derhalve de meest succesvolle cichliden. Veruit de meeste Tanganyika-aquaria zijn ingericht naar voorbeeld van dit gebied.

  3. De Zandbodem
    Hier vinden we hier en daar ophopingen van lege slakkenhuizen, die niet of nauwelijks oplossen omdat het water van het meer al een hoog kalkgehalte heeft. Een aantal vissoorten is deze slakkenhuizen gaan gebruiken als woon- en broedplaats. Een voorbeeld hiervan is «Lamprologus» brevis. Andere zandbodembewoners leven niet in en om slakkenhuizen, maar verzamelen zich in grote scholen op de egale zandvlakte. Hun gedrag en kleur maakt ze minder opvallend in het zand, en hun bouw maakt dat ze goed kunnen zien wat er in hun omgeving gebeurt. Xenotilapia ochrogenys is zo'n typische zandvlaktebewoner.

  4. De Modderbodem
    Dit soort bodem bestaat niet uit fijn zand, maar uit een ophoping van organische resten die aangevoerd worden door de rivieren. Deze resten zijn goed voedsel voor allerlei micro-organismen, die op hun beurt weer als voedsel dienen voor kreeftachtigen, insecten, schaaldieren, weekdieren en wormen. Voor veel vissen is hier dan ook genoeg voedsel te vinden. Neolamprologus kungweensis, een heel kleine cichlide, houdt zich hier op en bouwt tunnels in de modderbodems.

  5. De Pelagische Wateren
    Dit is het open watergebied uit de kust tussen het oppervlak en de zuurstofarme diepere waterlagen. Het hoofdvoedsel van de vissen bestaat hier uit plantaardig en dierlijk plankton. In dit water komen grote scholen vrijzwemmende cichliden voor, zoals Cyprichromis leptosoma of de niet-cichlide Lamprichthys tanganicanus, die op hun beurt weer ten prooi kunnen vallen aan rovers als bijvoorbeeld Haplotaxodon microlepis.

  6. De Bentische Wateren
    Ofwel: de diepzee van het Tanganyikameer. Dit zijn de diepere zuurstofdragende waterlagen van het meer. De lage zuustofspiegel en het vrijwel continue donker hebben van de daar levende dieren grote aanpassingen vereist. De sierlijke Benthochromis tricoti is een bekende bewoner van de diepere wateren.

literatuur:
Tanganyika Cichlids In Their Natural Habitat, Ad Konings, 1998
Tanganjika Cichliden, Søren Neergaard, 1981